De orthomoleculaire wetenschap

 

De term orthomoleculaire geneeskunde is voor het eerst gepubliceerd in 1965 in het wetenschappelijke tijdschrift Science, door de Amerikaanse biochemicus Linus Carl Pauling (1901-1994), tweevoudig Nobel-prijswinnaar voor de chemie en voor de vrede. Pauling pleitte in zijn boek Cancer and Vitamin C (1979) voor het gebruik van hoge doses vitamine C ter voorkoming van kanker. Linus Pauling nam dagelijks tussen 5 en 10 g vitamine C in, dat is ongeveer 100 tot 200 meer dan de huidige 'normale' gangbare dosering. Hij stierf zelf aan prostaatkanker maar meende dat hij door veel vitamine C te slikken de ziekte lang in toom gehouden had. Hij was altijd vitaal en gezond geweest en stierf op hoge leeftijd van 93 jaar.

Het woord orthomoleculair komt van orthos, het betekent in het Grieks voor goed of juist en moleculen - de bouwstenen van ons lichaam in moleculaire omgeving ofwel optimaal biochemisch milieu.

 

" Don't criticize what you can't understand "

 

Inleiding

Het is mijn bedoeling een aantal feiten en ontwikkelingen op een rijtje te zetten, die in mijn ogen belangrijke consequenties zullen hebben, bijvoorbeeld voor onze bestaande opvattingen over gezondheid en ziekte, voor onze visie op wat wij momenteel geneeskunde noemen, en voor onze visie op wat adequate voeding is.

 

Wat is orthomoleculaire wetenschap? Specifiek onder die naam is orthomoleculaire wetenschap geen erkende tak van de wetenschap, maar in feite een voortvloeisel uit de celbiologie, de biochemie, de voedingsleer en de geneeskunde, allemaal aparte koninkrijkjes met bewaakte grenzen. Te beginnen met de geschiedenis, kan ik het beste de orthomoleculaire geneeskunde verduidelijken.

 

In de 17e eeuw zag Antoni van Leeuwenhoek voor het eerst eencelligen. In de 18e eeuw werd ontdekt dat de vertering van voedsel een chemisch proces is, en dat de verbranding in het lichaam gelijk is aan chemische verbranding (Reamur, Lavoisier, Laplace)

In de vorige eeuw leerden we het onderscheid tussen macro-voedingsstoffen als eiwitten, vetten en koolhydraten, en in onze eeuw ook de micro-voedingsstoffen als vitamines, mineralen en sporenelementen. En we leerden over de circa 45 essentiële voedingsstoffen, b.v. een aantal aminozuren en vetten. Ze worden essentieel genoemd omdat het lichaam ze niet zelf kan maken, maar uit de voeding moet halen. We leerden over antioxidanten, carcinogene en anticarcinogene stoffen, allergenen, en nog veel meer. In de orthomoleculaire geneeskunde zullen de micro-voedingsstoffen een hoofdrol spelen. We hebben het wel over voedingstoffen en niet over geneesmiddelen. In de wetenschap spreekt men van nutriënten of nutrition.

 

De biochemie bestudeert de structuren en de functies van alle onderdelen van levende organismen, en ze analyseert er de chemische processen en interacties van. Ze doet dan samen met de celbiologie en legt a.h.w. de verbinding tussen chemie en biologie. Als je aan een moderne biochemicus vraagt wat eigenlijk ‘leven’ is, zal hij waarschijnlijk antwoorden: “leven = scheikunde”. En hij zou ‘gezondheid’ wetenschappelijk volkomen terecht definiëren als ‘biochemisch evenwicht’ in het lichaam.

 

Een uiterst belangrijk concept uit de jonge biochemie is het eenheidsprincipe, d.w.z. de ontdekking dat achter die enorme verscheidenheid van levensvormen op aarde een opmerkelijke eenheid schuil gaat. De eenheid in verscheidenheid geldt zowel in culturen en volkeren als wel in levensvormen en in de micro’s en macro’s van ons lichaam. Alles, planten, dieren en mensen, is opgebouwd uit kleine fundamentele eenheden met een eigen huishouding, die we cellen noemen. Er zijn vele typen cellen, met veel verschillende functies, maar ze hebben in essentie heel veel gemeen: structuur, chemische processen, voortdurende vernieuwingen en groei en afbraak. Want zolang er leven is, is er ook het vermogen om zichzelf te organiseren, geleden schade te herstellen, en het communiceren met andere cellen. Populair gezegd: de cellen blijken veel méér te zijn dan de opbouw van legio steentjes van weefsels en organen. Het zijn de basiseenheden van alle leven op aarde, en die in miljoenen jaren zijn uitgetest en geëvolueerd.

 

Het heden

Je zou verwachten dat die vele nieuwe en recente inzichten praktische consequenties hebben in b.v. het medische domein en het voedingsdomein. Die zijn er wel, maar nog maar heel bescheiden. In het medische domein overweegt nog de opvatting “zo lang je geen ziekte hebt, ben je gezond ”. Met andere woorden blijf maar gewoon je leefstijl houden met drinken en roken en je onregelmatige ‘gezonde’ eetgewoonte

We konden dat waar maken door de geweldige prestaties van de bacteriologie, waardoor we de meeste infectieziekten hebben leren genezen met zelf uitgevonden synthetische stoffen. We wisten niet beter of dat was de beste manier, en we waren er blij mee. We namen de toxiciteit van die geneesmiddelen op de koop toe.

 

Onze nieuwe inzichten geven ons mogelijkheden om met niet-toxische stoffen te genezen, maar die worden nog te weinig benut. Sterker nog, onze nieuwe kennis opent mogelijkheden om ziekten te voorkomen, maar ook dat is nog lang geen gemeengoed. Want de preventieve geneeskunde in de vorm van voedingskunde, complementaire natuurlijke en orthomoleculaire geneeskunde zou beter met de curatieve allopatische geneeskunde dienen samen te werken voor de gezondheid en welzijn van de mens.

Vooroordelen en conservatieve opvattingen dienen doorbroken te worden door innovatieve visies en inzichten en wetenschappelijke vernieuwingen en studies. En los van de belangen en de macht van de gevestigde orde, horen deze studies in de praktijk te worden toegepast.

De traditionele allopatische geneeskunde, meestal reguliere en confessionele geneeskunde genoemd, is nog steeds de voornaamste in omvang, maar de orthomoleculaire en complementair geneeskunde wint aan invloed. Hoewel in de huidige artsenopleiding de orthomoleculaire benadering nog maar weinig aandacht krijgt.

 

Toch bestaat er al een International Society for Orthomolecular Medicine, die in 1994 in Vancouver werd gesticht als overkoepeling van bestaande nationale ‘societies’ in 15 landen, waaronder Nederland en België. In Nederland is dat de Maatschappij tot Bevordering van de Orthomoleculaire Geneeskunde, opgericht door de apotheker Gert Schuitemaker, een pionier in Nederland.

 

Sinds 1971 werkt er een Computerized Orthomolecular Medical Society, met heel veel informatie voor leken en professionals op het Internet. Er bestaan in Nederland orthomoleculaire klinieken; er praktiseren orthomoleculair werkende artsen; een aantal huisartsen, waaronder de mijne, heeft zich laten bijscholen; in het VU ziekenhuis is minstens één orthomoleculaire specialist werkzaam; sinds enkele tientallen jaren is er een Orthos groep van stichtingen en ondernemingen, die informatie verstrekt, cursussen geeft, onderzoekresultaten publiceert, adressen van artsen en therapeuten noemt, levend bloed analyses aanbiedt, en betrokken is bij de productie van voedingssupplementen met goede prijs-kwaliteitverhouding.

 

In het voedingsdomein is van het nieuwe nog maar weinig zichtbaar. Het werd als een heel bijzondere gebeurtenis beschouwd dat het Nederlands Kankerinstituut ter gelegenheid van zijn 50-jarig jubileum publiekelijk uitkwam voor verbanden tussen voeding en kanker. In hun jubileumnummer meldt Prof. Hein de Vries uit Maastricht: “Onderzoek heeft aangetoond dat driekwart van alle kankergevallen samenhangt met onze manier van leven. Eénderde houdt verband met ongezonde voedingsgewoonten”. Maar de Voedingsraad en overige officiële instanties op voedingsgebied hanteren in hun publicaties en richtlijnen nog een nutriëntenfilosofie van een halve eeuw geleden.

 

Samenvattend

Er is een begin van acceptatie van nieuwe inzichten, maar psychologische, economische en bureaucratische belangen belemmeren nog de praktische toepassingen. Met de psychologische belemmeringen doel ik op de gewone weerstand die iedere verandering heeft te overwinnen. Het schijnt waar te zijn dat de acceptatie van fundamenteel nieuwe ideeën in een samenleving meestal een jaar of veertig vergt.

Een economische belemmering zijn de gevestigde belangen van de gezondheidsindustrie. De farmaceutische industrie is niet geïnteresseerd in een verschuiving van hun gepatenteerde producten naar natuurlijke, niet-toxische stoffen die iedereen kan maken. Evenmin als de hoogtechnologische medische specialismen, en evenmin als de apothekers, en evenmin als de consument. Die kan bijvoorbeeld het lichaamseigen aminozuur cysteïne onder die naam vrij kopen voor € 0,74 per capsule, maar in de apotheek betaalt hij voor precies hetzelfde spul onder de naam Fluimucil €1,76. Maar dat duurdere spul krijgt hij vergoed omdat het ‘geneesmiddel’ heet, en het goedkopere voedingssupplement moet hij zelf betalen.

 

De stichter van die Orthos groep, Ruud Nieuwenhuis, heeft o.a. het boek Vitamines en Zelfzorg geschreven. Daar las ik iets in dat de situatie aardig typeert. Eind 80er jaren kwam hij door een vloed van negatieve uitspraken over vitamines in allerlei media op het spoor van een georganiseerde actie om een bepaald wetsontwerp aangenomen te krijgen dat vitamines in het medische circuit zou houden. Mede dank zij alerte tegenactie is het gelukt om het wetsontwerp in 1994 verworpen te krijgen. Vitamines zijn daardoor aan het medische monopolie onttrokken en voor iedereen vrij te koop. Een erfenis van dat conflict is dat volgens de wet op ieder potje nog steeds moet staan dat je het bij een evenwichtige voeding niet nodig hebt, iets dat niet waar is en door sommige leveranciers dus wordt weggelaten, of bespot door de toevoeging dat dat in de Staatscourant staat..

Soms schijnt het toch te lukken om iets te patenteren, b.v. niet de stof, maar de manier waarop het toegepast wordt of iets dergelijks. Dat blijkt o.a. uit de geschiedenis van carnitine, een hartactiverend lichaamseigen aminozuur, dat nu nog duur is om te maken. Roche heeft het waarschijnlijk toch op een of andere manier kunnen patenteren, zette er in 1991 600 miljoen dollar van om, en in 1995 het dubbele. (Prof. Defares, pag. 359)

 

Het begrip ‘gezondheid’

Een traditionele definitie vaan gezondheid is ‘afwezigheid van ziekte’. De aankomende definitie is ‘biochemisch evenwicht in het organisme’ of populaire vertalingen daarvan. De traditionele benadering is ‘ziekten genezen als ze zich voordoen’, de orthomoleculaire benadering is ‘gezondheid verbeteren’, want gezondheid = biochemisch evenwicht = gezonde lichaamscellen. Maar het wel méér dan alleen maar een woordenspel.

Zijn we als regel dan niet gezond? Jazeker, zeggen de medische statistieken die de ziekten optellen. Neen, zeggen de orthomoleculairen. De gezondheid van de Nederlandse bevolking is suboptimaal, want er zijn tekorten aan essentiële nutriënten. Dat wordt niet alleen voorgerekend door de Stichting Orthomoleculaire Educatie, maar ook door TNO - Voeding. Ik heb de tabellen ter inzage (Nieuwenhuis 134).

Voor dat manco worden oorzaken en verschijnselen genoemd. Bij de oorzaken lees ik over onze hedendaagse stressvolle levenswijze, onze verkeerde voedingsgewoonten, de lawine van industrieel voedsel met de noodzakelijke additieven, de verarming van onze grond door ‘chemisch zuivere’ bemesting, de bestrijdingsmiddelen, de kwalijke praktijken van de bioteelt van vee en pluimvee, de verontreiniging van lucht en water, enz. enz.

 

Als verschijnselen moeten we denken aan wat wel ‘beschavingsziekten’ wordt genoemd. Ik houd mijn woordkeus opzettelijk neutraal, en volg dus niet het voorbeeld van een zekere arts Kunin in de VS, die het heeft over een ‘worsening epidemic of cancer, heart attacks and mental illnesses’ (een erger wordende epidemie van kanker, hartaanvallen en psychische ziekten). De waarheid ligt er ergens tussenin.

 

Wat houdt orthomoleculaire geneeskunde in?

De naam ‘orthomoleculair’ is voor het eerst gebruikt door de tweevoudig Nobelprijswinnaar Prof. Linus Pauling in 1964. Orthomoleculen zijn — letterlijk vertaald — ‘de rechte\juiste moleculen’, net zoals orthodox letterlijk betekent ‘de rechte mening’. Orthomoleculaire geneeskunde betekent dus: met de juiste nutriënten een optimaal biochemisch milieu creëren, waarbij de eigen cellulaire herstelprocessen van het lichaam alle kansen krijgen. En als de voeding daarin tekortschiet, suppleren met micro-nutriënten.

 

In zijn jonge geschiedenis is de orthomoleculaire geneeskunde wel eens verward geweest met bewegingen die holistische geneeskunde of andere alternatieve geneeswijzen bepleiten. Die hebben echter meestal geen wetenschappelijke en klinische basis, en dat claimt de orthomoleculaire geneeskunde nou juist wél. En ik heb voldoende verslagen van onderzoeken en klinische trials gezien die dat bevestigen. Voor mij hoeft dat niet, want wie geneest, krijgt van mij gelijk. Maar velen zijn daar strenger in dan ik en eisen wetenschappelijke onderbouwing.

Een nevenverschijnsel is dat ook de fytotherapie — genezen met planten — een nieuwe status heeft gekregen. Vroeger was dat een empirische geneeswijze, helemaal proefondervindelijk. Maar sinds de ontdekking van dat eenheidsprincipe, de biologische verwantschap van mensen en planten op celniveau, hebben extracten uit bepaalde planten ook een plaats gekregen bij de orthomoleculaire nutriënten, nu wél met wetenschappelijke onderbouwing. De honderden bioflavonoïden, meest uit vruchtenpitten en -schillen, zijn daar voorbeelden van, maar ook het extract uit de bladeren van de Ginkgo, een nog steeds levende boomsoort van een paar honderd miljoen jaar oud.

Ter vermijding van misverstanden stel ik nadrukkelijk dat niemand de orthomoleculaire geneeskunde in plaats van de reguliere geneeskunde wil zien. Neen, het gaat er om de orthomoleculaire geneeskunde in de reguliere geneeskunde te integreren. Want ze zijn complementair.

Die integratie zal verschuiving van enkele paradigma’s uit de reguliere geneeskunde vergen. In een vakpublicatie vond ik een opsomming van 15 principes van de orthomoleculaire geneeskunde, te veel om hier op te noemen en uit te leggen. Ik beperk me tot een paar kreten:

 

1. Een leidend beginsel is “bij diagnose en therapie komen de orthomoleculen eerst”. De arts dient dus kennis te hebben van het gebruik van nutriënten, enzymen, hormonen, antigenen, antilichamen en andere natuurlijke moleculen. De risico’s en bijwerkingen van de toxische chemische geneesmiddelen worden pas in tweede instantie genomen.

 

2. Nog een centraal concept is de biochemische individualiteit. Dat wil zeggen dat twee patiënten met vergelijkbare klachten best verschillende nutriëntenbehoeften kunnen hebben. Bloedonderzoek zegt meestal te weinig over nutriëntentekorten in specifieke weefsels en organen, zeker als ook het zenuwstelsel in het geding is. Therapeutische proeven en dosistitratie zijn dus de aangewezen weg, d.w.z. uitproberen met hoge doses nutriënten en goed luisteren naar de reacties van de patiënt totdat de werkzame therapie gevonden is. Met de natuurlijke, lichaamseigen micronutriënten is dat zonder risico.

 

Het zal nog wel even duren voordat alle artsen op deze manier werken. De reguliere benadering zal vast nog geruime tijd de boventoon voeren. Daarom is het van belang te beseffen dat de orthomoleculaire geneeskunde ook heel veel kan doen aan ondersteuning van reguliere therapieën.

En die ondersteuning gaat vér: dubbelblinde, placebo-gesteunde onderzoeken hebben aangetoond dat bijvoorbeeld hart- en kankerpatiënten met voedingssupplementen naast hun reguliere therapieën niet alleen langer, maar ook beter leven dan zonder. Bij kankerpatiënten wordt de chemotherapie vaak ondersteund door orthomoleculaire supplementen (Defares 270). De bijwerkingen ervan worden verlicht, de schade aan gezonde cellen wordt beperkt, en de kans op recidief erdoor verkleind. Het was een doorbraak toen het Nederlandse Kankerinstituut in die richting formele aanbevelingen uitsprak. Patiënten met b.v. migraine of angina pectoris genezen niet door orthomoleculaire ondersteuning, maar ze kunnen wel minder aanvallen krijgen. Diabetespatiënten kunnen op den duur met minder insuline toe. Gewrichtsklachten verdwijnen niet, maar minderen wel. De reguliere therapieën bereiken met ondersteuning het beoogde effect sneller, of met minder narigheid.

 

Een beschrijving van orthomoleculaire geneeskunde is niet compleet zonder vermelding van het concept van de vrije radicalen, dat een jaar of twintig geleden gestalte kreeg. Een ouder begrip ‘radicaal’ uit de chemie kreeg nieuwe betekenis als ‘vrije radicaal’ in de orthomoleculaire wetenschap. Bijna alle energie voor onze levensprocessen wordt geleverd via oxidatie en reductie, zuurstof geven of afnemen. Zuurstof is agressief genoeg om met alles en nog wat te reageren. Per seconde gebeuren miljoenen van zulke reacties in ons lichaam.

Natuurlijk gaat er wel eens iets fout, en dan ontstaan er vrije radicalen, agressieve moleculen die ook reageren waar dat niet gewenst is, met nare gevolgen. Het lichaam is voortreffelijk uitgerust om die gevaarlijke zwervers zelf te neutraliseren, maar in bijzondere situaties is dat niet toereikend, bijvoorbeeld bij langdurige zware inspanning, psychische stress, verkeerde voeding, roken, alcohol, geneesmiddelengebruik, enz.

Ons lichaam produceert als regel zijn eigen antioxidanten, maar doet dat minder naarmate het ouder wordt, in feite vanaf ergens tussen het 20e en 30e levensjaar. Ouderen hebben dus per definitie extra antioxidanten nodig.

 

Zelfzorg

Het mooie van de orthomoleculaire benadering is dat iedereen veel zelf kan doen door zijn relatieve tekorten aan nutriënten aan te vullen en aldus de kans op ziekte en ongemak te verkleinen. In theorie zijn daarvoor nodig: adequate voeding, een gezondere levenswijze, en een schoon milieu. Omdat dat voor een deel vrome wensen zullen blijven, zal de praktijk zijn dat we micro-nutriënten in de vorm van voedingssuppletie moeten innemen.

 

We hebben al een aardig overzicht van de belangrijkste vitaminen, mineralen, enzymen e.d die voor onze lichaamsorganisatie van belang zijn. Dat zijn er tientallen. We weten dat de Nederlandse bevolking relatieve tekorten heeft, ook hoe die per groepen verschillen, maar het is niet doenlijk om per individu te bepalen wat, hoeveel en wanneer. Er worden dus zgn. multipreparaten in de handel gebracht, tabletten of capsules met tientallen verschillende nutriënten. Dat is niet alleen economie, maar speelt ook in op het feit dat meerdere stoffen elkaars werking versterken, of van andere stoffen afhankelijk zijn om zelf te kunnen werken, de zgn. co-factoren. Een beroemd voorbeeld is het co-enzym Q10, zonder hetwelk vele andere enzymen hun werk niet kunnen doen. Dat co-enzym heeft vele hartpatiënten het leven prettiger gemaakt.

Het zal nog wel even duren voordat iedereen het idee van zelfzorg via voedingssupplementen aanvaard heeft. Niet alleen omdat het met alle nieuwe ideeën zo gaat, maar ook omdat het een hele stap is om je oriëntatie te verleggen van ‘ziekte genezen’ naar ‘ziekte voorkómen’. (En ook omdat geneesmiddelen vergoed worden en voedingssupplementen niet).

En eerlijk gezegd kan ik begrip hebben voor iemand die zegt “Waarom zou ik pillen slikken zonder te weten wat ik ervoor terugkrijg?” Het correcte antwoord is “je verkleint de kans dat je ziek wordt, want dat is wetenschappelijk uitgezocht”. Maar dat stuit vaak op de nodige scepsis of onverschilligheid. Ik spreek uit de ervaring van vele gesprekken. Niet iedereen laat zich imponeren door wonderverhalen in de Libelle of Margriet, maar heeft ook geen lust zelf bronnen te raadplegen om informatie te vergaren. Dat zal ooit wel anders worden als de acceptatie doorzet en iedereen suppleties gaat gebruiken omdat iedereen het doet. Zoiets als de rage voor cholesterol-arm eten: weinigen wisten er het fijne van, maar iedereen deed het. (Inmiddels weten we dat de invloed van cholesterol uit voeding op het lichaamstotaal gemiddeld niet meer dan 3% is - Nieuwenhuis pag. 98-99)

Hoe dan ook, iedereen is zelf verantwoordelijk voor eigen gezondheid, moet zelf zijn eigen situatie beoordelen, en zelf weten wat hij doet of nalaat. Maar ik vind dat het anders ligt voor de mensen die in de orthomoleculaire wetenschap de risicogroepen genoemd worden. Er zijn mensen voor wie voedingssuppletie niet gewoon wenselijk, maar dringend gewenst is. We moeten dan denken aan zwangere en zogende vrouwen, acuut zieken die in therapie zijn, chronisch zieken, uitbehandelde patiënten, en zonder meer altijd de ouderen.

Voor sommige van deze groepen zijn we dan niet meer in het domein van de zelfzorg, maar van de medische praktijk. De patiënt kan dan alleen maar hopen dat zijn arts voldoende orthomoleculair onderlegd is, of anders zijn toevlucht zoeken bij een wél orthomoleculair werkende arts. Of in laatste instantie zelf de verantwoording nemen. Een vriendin van ons, in behandeling met een chemokuur tegen kanker, stapte van het ene ziekenhuis over naar een ander, omdat men daar wél bereid was haar behandeling orthomoleculair te ondersteunen.

Maar het natuurlijke aftakelingsproces door veroudering, dat halverwege de leeftijd al begint, kan door orthomoleculaire zelfzorg vertraagd worden, de ongemakken ervan kunnen verlicht worden, en de kansen op ouderdomsziekten kunnen verkleind worden..

 

In mijn pleidooi voel ik mij gesteund door diverse specialisten en artsen die de integrale en complementaire geneeskunde in de praktijk toepassen. Prof. Defares. In zijn Leidse kliniek worden ortho-preparaten voorgeschreven voor allerlei specifieke doelen, maar ook voor zgn. standaard orthomoleculaire begeleiding. Ik citeer pagina 386 van zijn boek: 

“Net als bij alle andere behandelingswijzen in mijn Leidse kliniek (chelatietherapie, celtherapie, thymustherapie, kankerbehandeling, enz.) bestaat ook bij de standaard orthomoleculaire begeleiding de mogelijkheid tot een (kosteloos) oriënterend gesprek op het spreekuur (volgens afspraak). Als algemene richtlijn voor de ‘consument’ geldt echter: bewandel altijd eerst het doe-het-zelf-pad. Alleen wanneer in de situatie (die van individu tot individu verschilt) de beoogde resultaten na een half jaar of langer tekortschieten, kan men overwegen de hulp van een orthomoleculaire arts in te roepen”

Prof. Defares is arts, fysioloog, bioloog, wiskundige en gerontoloog. Hij is multidisciplinair als iedere orthomoleculaire en complementaire genezer of team van genezers graag zou zien.

 

Conclusie

Ik heb als voedingswetenschapper altijd de intentie gehad om de publieke en professionele aanvaarding van de orthomoleculaire benadering te stimuleren en dat er nogal wat gedachtesprongen voor nodig zijn om de vernieuwingen in de gezondheidszorg en in de voedingsepidemiologie door te voeren. In de eerste plaats de gewijzigde kijk op gezondheid en ziekte. En dat is niet zo eenvoudig, zoals ik uit eigen ervaring weet. De veel gehoorde reacties uit het conservatieve reguliere geneeskundige hoek “Ach, de zoveelste alternatieve therapie”.

Wat ik ook vaak merk als ik stel dat de volksgezondheid suboptimaal is bevonden, is de reactie “dat kan best zo zijn, maar ik heb geen enkele klacht”. Daar heb je nog de opvatting dat je gezond bent zolang je geen ziekte hebt.

En een derde gedachtesprong is het aanvaarden van het feit dat voedingssuppleties minder snel resultaat leveren dan chemische geneesmiddelen. Aan die laatste zijn we zo gewend geraakt, dat we maar moeilijk kunnen verwerken dat natuurlijke stoffen vaak effectiever, maar meestal wel iets langzamer werken, maar wel duurzamer.

En als je ze preventief neemt en ziekten blijven uit, zul je nooit zeker weten of je zonder die preventie misschien wél ziek zou zijn geworden. Je moet ‘succes’ leren beschouwen als het wegblijven van kwalen en kwaaltjes, of een milder verloop als ze zich toch voordoen. Door fit of fitter te voelen, zijn we in de meeste gevallen gezond. Ik spreek uit eigen ervaring. En ook die van mijn familie die jarenlang hebben gebruikt.

 

Bronnen:

Prof.dr. J.G. Defares: U kunt langer blijven leven! Gezond ouder worden door andere eet- en levensgewoonten. ISBN 90 6010 867-1

Ruud A. Nieuwenhuis: Handboek Vitamines en Zelfzorg. ISBN 90389 06285

WHO Europe: www.euro.who.int

WHO World: www.who.int

Publications of natural resources: www.nature.com

Harvard University: www.harvard.com and www.hsph.harvard.edu

Harvard University about nutrition source: www.hsph.harvard.edu/nutritionsource/

Cornell University department Foodscience: www.foodscience.cornell.edu

University of California Foodscience and Technology: http://foodscience.ucdavis.edu

Wageningen University UR of Food: www.wageningenuniversiteit.nl 

Wageningen University UR Food info: www.food-info.net

 

Inspired by Nature.

                             Driven by Science.

                                                                    Passionated by Nutrition.

Home    

Natuurlijk Herstel. Altijd beter! 

Lukas T.S. Tjan

  • Voedingsadviezen

  • Nutrition Development

  • Complementaire geneeskunde

  • Marketing Voeding & CAM

© Science for Life. 2001-2011. Deze homepage is gemaakt door Mandala Communicatie, www.mandalacommunicatie.nl   

Op deze homepage berust een copyright. Voor meer info kunt u e-mailen naar info@scienceforlife.eu 

Voor alle op deze homepage vermelde informatie geldt de algemene disclaimer.